De homemade 80’s
Begrijp me niet verkeerd: ik ben erg blij met de bewustwording in Nederland wanneer het aankomt op voeding. Bewust eten, waar mogelijk zelfgemaakt en van het seizoen, minder verpakkingsafval: tuurlijk! Zelf ben ik gelukkig met veel Hollandse nuchterheid groot gebracht rond eten. Brood van de bakker, vlees van de slager die zelf slacht, scharreleieren en aardappels van de boer en groenten deels uit de tuin, deels van de groenteboer en altijd van het seizoen. We kregen drinken in een beker mee naar school en in een trommel een broodje of koekje. Boodschappen deed mijn moeder met een oude tas waar de huidige hipster heel wat geld voor neer zou leggen. En toen kwamen de pakjes frisdrank. En voorverpakte ‘tussendoortjes’. En was je niet hip als kind als je geen pakjes drinken had maar een beker van Tupperware. Wij hadden dan misschien wel Tupperware, maar in elk geval geen overgewicht.
Verwarring
Nu lijken we weer in een tijdperk beland te zijn waar zelfgemaakte lunches weer hip zijn. Foodbloggers hebben een leidende positie bereikt en doen veel goeds voor gezond eten, zelf koken of groenten verbouwen. Maar waar is de kennis van de foodblogger op gebaseerd? Rens Kroes kwam onlangs flink onder vuur te liggen in o.a. Volkskrant na haar suggestie om dagelijks een glas klei te drinken. Deze klei zit volgens experts vol met arsenicum (rattengif). Bloggers hebben een invloedrijke positie en mening die door velen worden overgenomen. Waar zit de toetsing van deze content? Hoe beïnvloeden deze bloggers en journalistiek de voedseltrends en kennis van de leek? Hoe waarheidsgetrouw is dit?
De balans tussen gezond, duurzaam en haalbaarheid lijkt zoek. We intimideren onszelf met mythes en idealen over gezond eten (NRC). De consument is in de war, het vertrouwen is weg en de voedingsleveranciers onder ons hebben dus een probleem. En tegelijkertijd ook niet. Wat menig Nederlander vergeet is dat de voedingsmiddelenindustrie met een reden is ontstaan. Tenzij we minder gaan eten, kunnen we alleen met industriële voedselproductie 7 miljard wereldbewoners voeden.
Hoogleraar voedseltechnologie Tiny van Boekel zegt in het AD: “De E-nummers zijn ooit bedacht om de consument te informeren en te beschermen tegen bijvoorbeeld allergieën. Maar mensen zien ze als een bewijs dat er is geknoeid met hun eten. Merkwaardig, want de stoffen hebben juist een E-nummer als bewijs dat ze níet schadelijk zijn. Ze zijn uitgebreid getest en er zijn strikte voorschriften voor de dosering. We gebruiken ze al eeuwenlang. Alleen noemden we ze vroeger citroenzuur, azijn of aardappelzetmeel.”
Kans voor voedingsindustrie
Bovenstaande neemt niet weg dat er duidelijkheid moet zijn over gezonde voeding. Haalbaarheid in de keuken en vooral ook genieten van eten. Of dit nu een superfood-shake is of een burger. De consument informeren waar voeding vandaan komt en hoe dit wordt bereidt is een grote kans voor de voedingsindustrie. Zij hebben wetenschappelijke kennis in huis en kunnen uitleggen hoe voeding wordt gemaakt. Samenwerking met ambachten om productie inzichtelijk, gezond en seizoensgebonden te houden biedt prachtige kansen. De sector moet zich mengen in het sociale debat en de regie pakken. Consumenten meenemen in het proces en voorlichten. Pas dan komt de gezonde trend waar die moet zijn: op het bord van alle Nederlanders.
Eet smakelijk!